Steyn Van Roey: De momentopname als een continuüm.

In de media gaat het bijna enkel over de grote, gevestigde namen van de kunst- en cultuurwereld. Klub Kultuur wil daar verandering in brengen. Want ook jonge artiesten hebben vaak een duidelijke visie op wie ze zijn en wat ze maken. Dit keer spraken we met Steyn van Roey over de manier waarop verschillende kunstvormen zich ten opzichte van elkaar kunnen verhouden.

Wanneer je een dansvoorstelling in foto’s probeert te vangen, krijgt ze een meer statisch karakter. Wanneer je het maakproces van een schilderij registreert, verandert dat bijna automatisch in een bewegend iets. Hoe gaat dat juist in zijn werk? Dat is waar Steyn zich mee bezighoudt. Hij studeert fotografie op Sint-Lukas in Brussel, wat daar een onderdeel is van de afstudeerrichting beeldende kunst. In zijn huidige werk vertrekt Steyn vanuit een verwondering voor hoe de foto als registratie van een performance werkt.

Ik vind het interessant hoe een foto ervoor kan zorgen dat een heel eenvoudige ingreep opeens een kunstwerk wordt.

Waarom fotografie?

Ik heb altijd al een zekere fascinatie gehad voor beelden. Als kind wilde ik graag cameraman worden, liefst om van achterop een motor de koers mee te kunnen documenteren. Uiteindelijk bleek bewegend beeld toch niets voor mij te zijn, dus ben ik me meer op fotografie gaan focussen.

Ik herinner me nog hoe we ooit tijdens een schoolreis in Lissabon het Berardo museum bezochten. We werden daar in de moderne en hedendaagse kunstcollectie rondgeleid door een ongelofelijk goede gids. Zij sprak over Piet Mondriaen als een kunstenaar die een zekere jazz in zich droeg. Ik kreeg toen het idee om fotografisch iets gelijkaardigs te gaan zoeken. Ik denk niet dat me dat intussen al is gelukt, maar ik had wel een doel dat me richting gaf. Die gids heeft er destijds voor gezorgd dat ik hard ben beginnen werken.

Hoe begin je aan een nieuw project?

Mijn ideeën komen vrij spontaan tot stand. Ik kreeg ooit de opdracht om een installatie met vuilniszakken te maken. Op dat moment kon ik er niets beters op vinden dan een rol vuilniszakken uit te rollen en er een soort lijn mee te maken, maar dat idee is achteraf nog veel gegroeid. Ik werk nu nog steeds graag met vuilniszakken. De benadering van Thomas Hirschhorn vind ik daarin heel boeiend. Hij werkt altijd met waardeloze materialen en onderzocht ooit hoe een klein stukje afval zich door de stad beweegt. Hij inspireerde me om een tijdelijk element toe te voegen aan mijn werk, iets dat zichzelf na verloop van tijd vernietigd. Dat resulteerde in het maken van grote krijtvlakken.

Dat doet me dan weer denken aan een vakantie in Duitsland, toen ik op de krijtrotsen naar de zonsondergang zat te kijken. Mijn oog viel toevallig op een mooi stukje krijt, en voor ik het wist had ik er een hele steen mee ingekleurd. Ik vond dat een mooi idee voor een nieuw type ingreep. Vanaf die dag bekrijt ik ook kleinere oppervlakken, voornamelijk stenen. Het hele creatieve proces verloopt bij mij altijd heel toevallig. Veel van mijn creaties verschijnen onverwachts.

Kijk je als fotograaf op een andere manier naar de wereld?

Ik ben niet zozeer bezig met fotografie als afbeelding van de werkelijkheid. Ik zie mezelf eigenlijk ook niet perse als een fotograaf.

Mijn perceptie van de realiteit verandert misschien wel, maar dat is dan voornamelijk omdat ik veel van mijn ingrepen in de buitenlucht doe. Ik werk nu aan een reeks registraties van schaduwen. Daardoor ontwikkel je automatisch een zekere feeling met de manier waarop de zon draait en welke invloed dat heeft op je werk. Het creëert inderdaad een andere manier van bewustzijn, een meer aandachtige manier van naar de werkelijkheid kijken.  

Daar wil ik wel aan toevoegen dat ik niet zozeer bezig ben met fotografie als afbeelding van de werkelijkheid. Ik zie mezelf eigenlijk ook niet perse als een fotograaf, maar meer als beeldend kunstenaar, of misschien gaat het zelfs nog verder dan dat… Ik improviseer ook graag op de piano, maar dat is iets wat nog volop in ontwikkeling is. Het voordeel dat wij als jonge artiesten hebben, is dat het veld van de kunsten in de jaren zestig-zeventig volledig opengebroken werd. Kunst beperkt zich niet langer tot de traditionele media zoals schilderkunst of beeldhouwkunst, integendeel, letterlijk alles is nu mogelijk.

Maar het klopt natuurlijk dat ik begonnen ben in een fotografie-richting en niet in een vrije-kunsten-richting. Het voordeel hiervan is dat je vanuit één medium vertrekt. Je hebt een duidelijk startpunt van waaruit je je verder kunt ontwikkelen. En op termijn leer je je ook tot de andere media te verhouden. Fotografie biedt daar nog extra mogelijkheden in, aangezien het andere media in zich kan opnemen. Ik vind het enorm interessant hoe een foto ervoor kan zorgen dat een heel eenvoudige ingreep opeens een kunstwerk wordt.

Een kunstwerk, wat is dat volgens jou?

Er is een hele traditie in de kunst, de institutionele kritiek, die stelt dat een kunstwerk pas een kunstwerk is wanneer het in het juiste kader kan bestaan. Volgens deze definitie is alles wat zich in een museum bevindt dus automatisch kunst. Omdat het museum hier het juiste betekenisgevend kader schept. Natuurlijk hoeft niet elk kunstwerk in een museum te verschijnen. Maar ik vraag me wel af of iets wat nooit publiek wordt gemaakt echt kunst kan worden genoemd.

Als je  kunst in de publieke ruimte brengt, ga je deze ruimte eigenlijk automatisch institutionaliseren. Dat klinkt ingewikkeld, maar wil eigenlijk gewoon zeggen dat het kunstwerk zelf zijn eigen kader creëert, wanneer je het de kans geeft om in de publieke ruimte te bestaan. Het werk van Marcel Broodthaers is hier een mooi voorbeeld van. Eind jaren zestig maakte hij een aantal rechthoekige putten op het strand van de Haan. Bij elke put plaatste hij een bordje met “niet aanraken”. Dit sloeg natuurlijk nergens op, aangezien de zee uiteindelijk alles toch zou wegspoelen. Het ging erom de aandacht van de toeschouwers naar de putten toe te trekken en op die manier tot een dialoog te komen. Belangrijk hierbij is dat het kunstwerk uiteindelijk enkel nog bestaat als document. In dit geval gaat het om een fotografisch document, maar dat hoeft niet noodzakelijk zo te zijn. Wie meer over Broodthaers en zijn manier van werken wil weten, moet zeker eens zoeken op “musée d’art moderne, departement des aigles, section documentaire“.

Waar ligt voor jou de grens tussen statische kunst en een performance?

Ik weiger om tot iets finaals te komen.
Alles wat ik maak is een momentopname.

Sommige artiesten vertrekken vanuit een idee en werken daar via een lineair proces naartoe. Je doet bijvoorbeeld auditie voor een theaterstuk, je studeert je tekst en je werkt via een reeks repetities naar de eerste voorstelling toe. Of je trekt de natuur in en schildert een mooi landschap, om het schilderij daarna te verkopen. Daar is natuurlijk niets mis mee, dat kan tot hele mooie resultaten leiden. Maar dat is niet hoe ik te werk ga. Ik weiger om tot iets finaals te komen.

Alles wat ik maak is een momentopname. Bij een ingreep in een landschap registreer ik altijd het hele gebeuren. Wanneer ik mijn werk tentoon stel, laat ik het hele proces zien en nooit enkel een eindproduct. Volgens mij is dat wat mijn werk tot een performance maakt. Enerzijds heb je het oneindige van het proces van creatie, dat bij mij nooit echt op zijn einde loopt. Anderzijds heb je het tijdelijke van elke ingreep die je doet. Alles wat ik maak zal op termijn zichzelf vervagen.

Welke dialoog voer jij met je publiek?

Ik ben op dit moment nog niet zo hard bezig met mijn werk openbaar te maken. Ik denk dat ik beter nog even binnen de veilige muren van de school blijf om mezelf verder te ontwikkelen. Daar is de school ook ideaal voor: het is een vrijplaats waar je zoveel kunt experimenteren als je wilt, zo vaak “op je bek kunt gaan” als nodig. Mensen die naar mijn werk komen kijken, moeten enorm aandachtig zijn voor wat er gebeurt. Ik maak het hen nooit gemakkelijk. Ik vind ook niet dat ik ze alles op een dienblaadje moet serveren, want kunst moet eigenlijk niets.

Tegenwoordig wordt er alles aan gedaan om zoveel mogelijk mensen naar musea en culturele evenementen te lokken. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd natuurlijk, maar ik vind niet dat dit ten koste mag gaan van de kwaliteit die wordt vertoond. Je kunt er alles aan doen om dingen verstaanbaar te maken met behulp van zaalteksten en mediacampagnes, maar daarnaast moeten de mensen die op een ernstige manier met kunst bezig willen zijn ook nog steeds aan hun trekken kunnen komen. Ik verwijs hier ook even naar de documentaires over kunst die Jef Cornelis ooit voor de VRT maakte. Dat soort dingen worden niet meer gemaakt, of toch niet van dezelfde kwaliteit, met dezelfde ernst. Dat vind ik best jammer.

Hoe meer zielen, hoe meer vreugd natuurlijk, maar ik vind niet dat dit ten koste mag gaan van de kwaliteit die wordt vertoond.

Wat antwoord je op mensen die zeggen dat ze kunst niet begrijpen?

Soms lijkt het voor mij alsof deze mensen het geen kans willen geven. Uiteindelijk moet je gewoon naar een museum durven gaan, daar goed rondkijken en je openstellen voor wat je ziet. Het museum is een duidelijke plek om naartoe te gaan, het is de tempel waar alle kunstwerken zich bevinden. En het is toegankelijk voor iedereen: museumtickets zijn doorgaans altijd goedkoper voor jongeren. Het is de ideale plek om naartoe te gaan als je naar kunst wilt kijken, net zoals de cinema de ideale plek is om een film te zien (of om met een schoon meiske te kussen, dat kan natuurlijk ook 😉 ).

Ik denk dat het probleem ook voor een deel bij het onderwijs ligt. Levensbeschouwelijke en kunstzinnige vakken worden langzaam maar zeker allemaal uit het leerplan geschrapt, omdat dit geen aansluiting zou vinden bij de arbeidsmarkt. We leven in een informatiemaatschappij waarin arbeid steeds zinlozer wordt. Zeker arbeid met betrekking tot het verspreiden van informatie. Maar laat nu net dat hetgeen zijn waarmee een fotograaf zich bezighoudt. Een foto is namelijk ook een informatiemedium. Het is meer dan enkel een beeld, het is een manier van communiceren, een verdere evolutie van het schrift.

Toch denk ik dat de manier waarop kunstenaars hun leven leiden echt zinvol kan zijn voor iedereen. Kunstenaar zijn, dat vraagt om een zekere volharding en een zeker engagement ten opzichte van je eigen werk. Ik probeer zelf iedere dag om zes uur op te staan, zodat ik om acht de trein naar school kan nemen. Daar blijf ik dan tot ’s avonds laat. Mijn ingrepen doe ik doorgaans altijd in de Ardennen. Het hele ritueel dat mij in staat stelt om werk te maken, is de reis, de tijd die ik voor alles neem.

Kunstenaar zijn, dat vraagt om een zekere volharding en een zeker engagement ten opzichte van je eigen werk.

CC-HASSELT (2021)

Benieuwd naar meer?

Hieronder enkele beeldende kunstenaars die Steyn inspireren:

  • De Engelse landkunstenaar Richard Long: tijdens wandelingen maakt hij vaak lijnen met stenen en dingen die hij ter plekke vindt. In galerijen maakt hij soms grote tableaus met slijk uit de rivier.
  • Marcel Broodthaers en de manier waarop hij omgaat met het instituut, en dan vooral in zijn “musée d’art moderne, departement des aigles, section documentaire.”
  • Joëlle Tuerlinckx: zij maakte ooit een werk met allemaal kleine propjes. Wanneer het even zou waaien, zouden alle propjes weggevlogen zijn. Maar het hele punt is natuurlijk dat het in een museum niet waait, en dat door het museum dit soort werken de kans krijgen om te bestaan. Heel boeiend vind ik dat.
  • Lothar Baumgarten: Deze Duitse kunstenaar haalde heel wat inspiratie uit de Indiaanse culturen en de manier waarop wij in het westen met deze culturen zijn omgegaan. Die inspiratie komt waarschijnlijk van zijn leermeester Joseph Beuys, die enorm geboeid was door het sjamanisme

Interessant? Misschien lees je dan ook graag wat Maya Descheemaeker te zeggen heeft over klassieke muziek. Haar interview vind je hier.

10 Comments

Leave a Reply